Auteursarchief: Baldwin Van Gorp

Onbekend's avatar

Over Baldwin Van Gorp

Professor of journalism, University of Leuven, Belgium

Over Trump en de trombone van Tom Boonen

LILI is het Leuvense interdisciplinaire taleninstituut dat gisteren (13/11/2025) een druk bijgewoond ‘impact event’ heeft georganiseerd in Leuven. Topacteur Matteo Simoni werd uitgebreid geïnterviewd over hoe hij met talen en dialecten speelt in zijn acteerwerk. Briljant!

Het interdisciplinaire karakter van het onderzoeksinstituut kwam daarna nog meer aan bod, bij een aantal ‘lightning talks’. Ik had de absolute eer om er zo eentje te mogen verzorgen. Het onderwerp werd me aangereikt door de initiatiefnemers: “Hoe versla je Trump in zijn eigen taalspel?”

Na afloop werd het opnieuw duidelijk wat het voordeel is van de interdisciplinaire samenstelling van LILI. Het zit namelijk zo. Tijdens mijn ‘act’ had ik last van een droge mond. Speeksel blijkt echter nodig om een mooie rollende ‘r’ te vormen ((alveolair, zo begreep ik). Dat lukte niet. Daardoor werd mijn aankondiging dat ik de typische zangerige manier van spreken van Trump zou illustreren door een trombone na te doen, begrepen als een poging om Trump te imiteren zoals Tom Boonen dat zou doen… Na mijn ingestudeerd getoeter kwam er geen reactie uit de zaal en dat was heel bevreemdend. Er schoot van alles door mijn hoofd, bijvoorbeeld dat mijn grap waarbij ik het publiek op z’n Trumps had geschoffeerd in het verkeerde keelgat was geschoten.

Hieronder mijn hele voorbereiding (inclusief eigen cartoon), voorzien van alle bronverwijzingen naar de literatuur die ik heb geraadpleegd. Dus oordeel vooral zelf.

Intro: Trump heeft zijn moeder aan de lijn

Komt op als Trump (blauw pak, rode pet, rode das). Vuisten, dansmoves. “What a huge hellhole! Fantastic! Incredible!”

(gsm gaat). Maant het publiek aan tot stilte. “Sorry, telefoon.”

“Ja? Mama …”

“Uw grasmaaier? Die breng ik zaterdag terug mee. Je weet, ik zit in een grote verbouwing. Het gras afrijden is er nog niet van gekomen.”

“Maar … Nee, ik zit midden in een lezing. Een lezing in Leuven. In Leuven.”

“Nee, nee. Zo belangrijk is die niet. Het is hier toch maar een derderangs publiek. Het is maar voor LILI. Ja, dat is áltijd voor een derderangs publiek.”

“Ja, ik heb mijn goede schoenen aan. Die goede ja, met dat hakske.”

“Mama, ik ga u moeten laten…”

“Nee, dat doe ik dan wel met mijn zitmaaier.”

(gaat aan spreekgestoelte staan)

Sorry voor die onderbreking.

Mijn vrouw zei deze ochtend nog: “Je MOET dit niet doen, hé, je kunt ook gewoon je lezing houden…”

Ze zei trouwens nog iets anders … Wat was dat ook alweer? A ja, dat ik mijn pet moest afzetten.

Met mijn intro heb ik wel wat willen aantonen … Om te beginnen: hoe valt President Trumps spreekstijl te typeren (Wang & Liu, 2018)?

Hij gebruikt korte woorden en korte zinnen. Hij herhaalt ook stukken zin. Zijn vocabularium is beperkter dan dat van de vorige presidenten en presidentskandidaten (Gill et al., 2025).

[noot: in sommige debatten en speeches was zijn vocabularium soms opvallend uitgebreider. Waarschijnlijk omdat die zijn voorbereid door speechschrijvers].  

Conclusie: Trump praat eigenlijk zoals een kind van 10, 11 jaar.

Maar: hij dat wel begrijpbaar, en in spreektaal. Daardoor komt-ie authentiek over, en dat is een pluspunt (Kreis, 2017).

Zijn taal heeft iets zangerigs (immiteert): In Springfield, they are eating the dogs, they are eating the cats, they are eating the pets of the people that live there…  

Op trombone klinkt dat dan als (toetert de tekst). (Echt, iemand heeft die uitspraak op muziek gezet.)

Verder: Trumps taal is direct en provocerend (Omar, 2025). Dat hebben jullie bij mijn intro ook kunnen merken. Sorry daarvoor trouwens. Hij zei het tegen een journaliste tijdens een persconferentie: “Dat begrijp jij niet, want je bent een derderangs journalist, altijd al geweest.”

En net omdat hij de president is – zoals ik hier ook vooraan sta – kun je niet zo makkelijk reageren op die onbeschofte uitspraken. Hij is immers De President.

En dan de thema’s die Trump aansnijdt. Dat zijn er minder dan bij andere presidenten en presidentskandidaten. (somt op) Immigratie, veiligheid, jobs, buitenlands beleid, dat is het zowat (Wang & Liu, 2018).

Het is een beperkt aantal thema’s, met de idee dat de in-group, de échte Amerikanen, het slachtoffer zijn van het beleid op die terreinen van zijn voorgangers (Kadim, 2022). Terwijl zijn oplossingen bedrieglijk eenvoudig zijn.

Hij doet dat bovendien vanuit een wij-zij-denken (Altohami, 2024; Kreis, 2017). Heel opvallend: Trump is uiterst positief over de in-group en zichzelf, en uiterst negatief over de out-group, met een sterke stereotypering en categorisering. Trump is daarbij de bezorgde vader.

Wij, de pure Amerikanen, een homogene groep, waarmee hij zich vereenzelvigt, die hij vertegenwoordigt, versus de anderen. Je kent ze wel: sleepy Joe Biden en crooked Hillary Clinton. Tot die anderen behoren ook: Zwarte Amerikanen, Moslims en vooral illegale immigranten…

Tot voor kort behoorde men in het Amerikaans te spreken over undocumented immigrants. Sinds Trump zijn dat weer illegal immigrants.

Vanavond gaat het over taal, en dan heb ik voor de andere kant ook een tip. Wie voor Trump er ook niet bij horen: LGBTQ+ mensen. Sorry, maar dat gaat Trump nooit kunnen onthouden. Het moet trouwens ook zijn: LGBTQIA+ [noot: staat voor lesbian, gay, bisexual, transgender, queer or questioning, intersex, asexual, en meer]. Moeilijk te onthouden, dus geen inclusief taalgebruik. ‘Non-binair’ is dan toch beter als term.

En dat in-group-out-group-denken is echt wel iets curieus: de in-group kijkt naar de out-group en als daarvan dan één iemand iets mispeutert, is dat meteen kenmerkend voor de hele groep (Van der Dennen, 1987). Terwijl als iemand van de in-group precies hetzelfde doet, is er dat besmettingseffect niet. De in-group blijft uit losse individuen bestaan.  

Waarom zou dat problematisch zijn?

Hoe Trump spreekt, debateert, hoe hij zich kleedt (hoewel, dat is wel herkenbaar: die rode das en pet, dan bén je Trump) … maar dat is niet-presidentieel (Ashcroft, 2016). Zodoende ondergraaft hij het instituut van het Amerikaanse presidentschap, want dat is geen persoon, maar een instituut, dat een belangrijk land in de wereld vertegenwoordigt. Daarvan zullen we nog lang de gevolgen mogen ondervinden.

Trump is bovendien de vertegenwoordiger van een administratie. Normaal hoor je uit de mond van de president de waarheid. Maar je kunt hem niet vertrouwen in wat hij zegt. Hij liegt om de haverklap. Als je daarop kritiek wilt leveren, moet je natuurlijk niet zélf beelden gaan monteren zoals de BBC heeft gedaan. Dat is erg dom.

Maar zoals ik al zei, omdat hij de President IS kun je er ook niet op gepaste wijze op reageren. Want daar kan hij niet tegen.

Hij wil dat je je kleedt (zie Zelenski) en hem aanspreekt zoals je de president van VS aanspreekt en er bij op audiëntie gaat. Het is dus altijd een ongelijk gesprek.

Waar komt dat allemaal vandaan?

De literatuur (Elovitz, 2016) geeft aan dat zijn jeugd daarbij waarschijnlijk een grote rol speelt. Zijn familiale roots liggen in Schotland en Duitsland. Zijn voorouders heetten Trumpf, zo’n beetje als Schtroumpf, Smurf. [noot: Schtroumpf is in feite een Frans woord; zou bedacht zijn door stripauteur André Franquin]

Deze Grote Smurf was als kind heel competitief gericht, had een korte aandacht spanne en deed altijd zijn goesting.

Hij voelde zich voortdurend onrechtvaardig behandeld. Dat klinkt bekend in de oren.

Er is onderzoek dat stelt dat Trump de kenmerken heeft van een narcist: schaamteloze zelfpromotie, zelfverheerlijking, ijdel (Ashcroft, 2016). Denk aan de cover van Time waarbij zijn kapsel niet goed zichtbaar was.

Hoe kan je met een narcist praten (Carlson & DesJardins, 2015; Lachkar, 2008)?

Ik las ergens over de “empathische confrontatie”, dat dat een middel is om door te dringen tot een narcist (Behary & Dieckmann, 2011). Je moet proberen een band op te bouwen met de narcist op basis van eerlijkheid en vertrouwen. Zeg dus hoe wat hij zegt bij je binnenkomt, toon dat je een persoon bent met gevoelens, en dat je hem wel respecteert, als president.

Als je iets wilt bereiken moet je hem het gevoel geven dat wat jij voorstelt een overwinning is voor en van hem.

Hij redeneert, zakenman zijnde, waarschijnlijk vanuit een zero-sum game: hij wil winnen, en zijn winst moet een verlies zijn voor iemand anders. Plus en min is nul. Maar winst maken moet niet per definitie ten koste gaan van anderen. Mogelijk kunnen we beiden winnen, de VS en Europa, bijvoorbeeld als het gaat over het conflict in Gaza. Win-win. Mogelijk heeft hij daar oren naar.

Psychiaters geven aan dat narcisten waarschijnlijk een kwetsbaarheid hebben die ze willen afschermen (Behary, 2021).

Ik kan me voorstellen dat Trump zich wel eens eenzaam voelt, zich schaamt omdat de intellectuele elite hem als dom neerzet…

Dat zou wel betekenen dat je moet oppassen met kritisch te zijn voor hem. Hem eerder bewonderen om zijn krachtdadig optreden, zoals Mark Rutte deed. En dan misschien op zoek gaan naar zijn gevoelens, zaken in zijn omgeving die hem na aan het hart liggen aanraken.

Mist hij zijn mama? Misschien. … Ik had haar daarnet nochtans nog aan de telefoon.

Maar goed. Misschien is Trump geen narcist. En ik ben geen psychiater.

En trouwens, Joe Biden is dan waarschijnlijk ook een narcist (Shriver, 2024). Hij wilde per se nog eens tegen Trump uitkomen, vanuit persoonlijke ambities, om te domineren en te controleren …

Hoe kan je met iemand radicaal rechts praten?

Wat wel vast staat, is dat Trump een populist is, en radicaal rechts (Lacatus, 2021; Mudde, 2022). Hij zet zich af, als vertegenwoordiger van de gewone mensen, tegen een corrupte elite. Hij behoort wel ook zelf tot die elite, maar door zijn rode pet zet hij er zich ook tegenover af.

Hij is vóór de democratie, maar wijst principes zoals de gelijkheid van minderheden, de persvrijheid en de strikte scheiding van machten af.

Door zijn taal en argumenten te legitimeren, is er nu al een effect zichtbaar op het politieke systeem en het waardensysteem dat we hanteren (Stuckey, 2020). We boeren met z’n allen achteruit. Klaarblijkelijk verworven rechten en vrijheden zijn alweer verdwenen.

Alle mensen zijn niet meer gelijk. Daar komt het op neer. Moslims en non-binaire personen bijvoorbeeld horen er voor Trump niet bij.

Dat discours voedt hij, en omdat hij het als dé president doet, wordt het gelegitimeerd. Dus ik zou Trump wel stroop aan de baard smeren, maar wat hij zegt, inhoudelijk, niet overnemen.

Je moet zelf presidentieel blijven. Dus dat wil al zeggen: pet op! (doet dat)

Dus ja …

Anders moeten wij met z’n allen zijn termijn gewoon uitzitten.

En hopen dat er beterschap op komst is.

Laat hem maar zijn ballroom bouwen. Dan heeft hij ook minder gras af te rijden ….

Dank u. (slot: filmpje van Trump op zijn grasmaaier)

Literatuur

Altohami, W. (2024). Self-Framing and Other-(Re) framing in Institutional Political Discourse: The Case of Donald Trump’s Final Speech Before the UN. Theory and Practice in Language Studies, 14(1), 202-211.

Ashcroft, A. (2016). Donald Trump: Narcissist, psychopath or representative of the people? Psychotherapy and Politics International, 14(3), 217-222.

Behary, W. T. (2021). Disarming the narcissist: Surviving and thriving with the self-absorbed. new harbinger publications.

Behary, W. T., & Dieckmann, E. (2011). Schema therapy for narcissism: The art of empathic confrontation, limit‐setting, and leverage. The handbook of narcissism and narcissistic personality disorder: Theoretical approaches, empirical findings, and treatments, 445-456.

Carlson, E. N., & DesJardins, N. M. L. (2015). Do mean guys always finish first or just say that they do? Narcissists’ awareness of their social status and popularity over time. Personality and Social Psychology Bulletin, 41(7), 901-917.

Elovitz, P. H. (2016). A psychobiographical and psycho-political comparison of Clinton and Trump. The Journal of Psychohistory, 44(2), 90.

Gill, A., Raza, S., & Ishtiaq, M. (2025). Corpus-based genre analysis of Donald Trump and Joe Biden’s inaugural speeches. Journal of Applied Linguistics and TESOL (JALT), 8(1), 813-826.

Kadim, E. N. (2022). A critical discourse analysis of Trump’s election campaign speeches. Heliyon, 8(4).

Kreis, R. (2017). The “tweet politics” of President Trump. Journal of language and politics, 16(4), 607-618.

Lacatus, C. (2021). Populism and President Trump’s approach to foreign policy: An analysis of tweets and rally speeches. Politics, 41(1), 31-47.

Lachkar, J. J. (2008). How to Talk to a Narcissist. Routledge.

Mudde, C. (2022). The far-right threat in the United States: A European perspective. The ANNALS of the American Academy of Political and Social Science, 699(1), 101-115.

Omar, T. (2025). Ridicule Strategies in Donald Trump’s 2024 Election Campaign Speeches: A Shift in Political Speech—A Discourse Analytical Study. The International Journal of Communication and Linguistic Studies, 23(4), 1.

Shriver, L. (2024). Is Biden or Trump a bigger threat to democracy? Spectator, 354(10207), 21-22.

Stuckey, M. E. (2020). “The power of the presidency to hurt”: The indecorous rhetoric of Donald J. Trump and the rhetorical norms of democracy. Presidential Studies Quarterly, 50(2), 366-391.

Van der Dennen, J. M. (1987). Ethnocentrism and in-group/out-group differentiation: A review and interpretation of the literature. The sociobiology of ethnocentrism, 1-47.

Wang, Y., & Liu, H. (2018). Is Trump always rambling like a fourth-grade student? An analysis of stylistic features of Donald Trump’s political discourse during the 2016 election. Discourse & Society, 29(3), 299-323.

Colleges vragen om interactie, geen afspeelknop

Deze opinie verscheen op 6 oktober 2025 in De Morgen.

In De Morgen van 2 oktober stond te lezen dat het Vlaams Mensenrechteninstituut (VMRI) de UGent flink op de vingers heeft getikt omdat er geen lesopnames ter beschikking werden gesteld van een student die herstellende was van een kankerbehandeling. “Discriminatie,” oordeelde de geschillenkamer van het VMRI. Het artikel laat ook de Vlaamse Vereniging van Studenten aan het woord, want die is blij is met de uitspraak, omdat ze lesopnames wilt afdwingen. Het artikel verwijst ten slotte naar een Parlementslid van cd&v dat een wetsvoorstel indiende om van lesopnames een basisrecht te maken voor bepaalde groepen studenten. Ik hoop dat ze daarin niet slagen, want in de praktijk zal het erop uitdraaien dat alle studenten over die lesopnames zullen beschikken. Want: waar ligt de grens tussen niet naar de les kunnen komen en niet naar de les willen komen?

Uiteraard heeft deze herstellende student gelijk, en zou ik voor een lesopname zorgen. Maar wat te denken van de student die me mailde dat hij een inkomticket voor een pretpark op een specifieke datum cadeau had gekregen, en verwachtte dat ik via mail de voornaamste punten die in het college aan bod kwamen even wilde oplijsten.

In het openingscollege van één van mijn cursussen vorige week zat welgeteld 1 (één) student. Studenten gunnen je als docent al niet meer de kans om de meerwaarde van hoorcolleges aan te tonen. Omdat de universiteit wilt dat je als docent via het online onderwijsplatform aangeeft welke leermiddelen je ter beschikking stelt van de studenten, maken de studenten een inschatting. Vorig academiejaar verzorgde ik een cursus voor 120 studenten en gaf ik aan bereid te zijn lesopnames te maken als minstens de helft van de studenten naar de colleges zou komen. In het derde college haalde ik dat percentage al niet meer.

Op het einde van de cursus deed ik een bevraging en daaruit bleek dat het merendeel van de groep die aanwezig was alle, of bijna alle bijeenkomsten had bijgewoond. Kortom: het andere deel van de studenten kwam gewoonweg nooit naar de colleges. Lesopnames maken zorgt bovendien nog voor een eigenaardig fenomeen: studenten die voor zich uit zitten te staren in de les, ook al zeg je: “Dit is héél belangrijk!”. Toen ik één van die lethargische studenten aansprak, antwoordde deze dat hij daar zat om te luisteren. Studeren deed hij aan de hand van de lesopnames.

Docenten hebben evenzeer nood aan een publiek om te kunnen schitteren.

Door het verplicht maken van lesopnames faciliteren de universiteiten zelf het massaal wegblijven van de studenten. De meerwaarde van colleges bijwonen – leren nota nemen, gedachten uitwisselen, sociaal contact met andere studenten – wordt daardoor uitgehold. Het ideale hoorcollege is er één waar er ook interactie is met de studenten. Door het maken van een lesopname is de collegezaal geen safe space meer, en spreken studenten zich niet uit over sommige heikele onderwerpen die in mijn colleges aan bod komen. Ikzelf spreek me al helemaal niet uit over die onderwerpen, want ik heb geen zin om online op een compilatie met fragmenten uit mijn colleges te stoten.

Indien de studenten hun zin krijgen, voorspel ik dat veel docenten er uiteindelijk de brui aan zullen geven en dat ook zij gebruik gaan maken van die lesopnames om studenten een zelfstudiepakket aan te bieden. “Hier zijn slides, een cursus en lesopnames, we zien elkaar bij het examen. Veel succes.”

Ik moet trouwens een pluim geven aan de studenten uit die ene cursus waarin slechts de helft van de studenten de colleges (zónder lesopnames) bijwoonde: op een enkeling na was iedereen geslaagd. Geen lesopnames maken is bevorderlijk voor de zelfredzaamheid van de studenten. Ze zetten een ruilhandel op in lesnota’s of werken met een beurtrol, allemaal prima voor mij. Eén van die geslaagde studenten was trouwens top-dj Amber Broos. Ik heb de kans niet gekregen, maar ik had haar graag gevraagd wat zij ervan zou vinden dat van haar optredens opnames zouden worden gemaakt en ze als gevolg daarvan niemand voor zich uit de bol zou zien gaan? Wat ik daarmee wilde duidelijk maken is dat wij, docenten, evenzeer nood hebben aan een publiek om te kunnen schitteren.

Tom Waes, de kat met negen levens

Sven Pichal, Bart De Pauw, Eddy Snelders, Tom Waes … in de mediawereld tuimelden de afgelopen jaren wel wat vedetten van hun voetstuk. Iedere zaak is heel anders, maar allen pleegden ze strafbare feiten. Niemand verwacht dat Sven Pichal of Eddy Snelders nog ooit voor televisie zullen kunnen werken. Bart De Pauw werkt aan een rentrée via de theaterpodia, maar het is Tom Waes die het meest op clementie kan rekenen. Ik zie tien redenen waarom zijn zaak fundamenteel een ander verloop kent dan al die andere.

Tom Waes wéét dat als je zelf de verantwoordelijkheid draagt voor een crisis je je niet moet presenteren als een slachtoffer
  1. In de samenleving is er een grote tolerantie voor alcoholmisbruik. Tom Waes voerde in zijn verdediging op 25 mei 2025 in De Afspraak (VRT) en op 26 mei in Eva (NPO) aan dat hij zich niets meer van het voorval herinnert, dus dat de alcohol het van hem had overgenomen. Dit gebrek aan zelfcontrole wordt hem schijnbaar vergeven.
  2. Tom Waes heeft grootmoedig zijn straf aanvaard en zegt zelf geen enkel excuus te willen aanbrengen. Als presentator Bart Schols in De Afspraak een voorzet doet om uit te halen naar ‘de media’, die elk van bovenstaande zaken breed hebben uitgesmeerd, dan gaat hij daar niet op in. “Dat hoort erbij”.
  3. Tom Waes wentelt zich uitdrukkelijk niet in een slachtofferrol, maar trekt het boetekleed aan. Als je zélf duidelijk verantwoordelijkheid draagt in een crisis, is dat iets wat je inderdaad niet moet doen: in een slachtofferrol kruipen.
  4. Tom Waes biedt uitgebreid zijn excuses aan, toont duidelijk empathie voor de man die in de botsabsorbeerder zat waar hij op inreed, én voor alle ouders van verongelukte kinderen. Zijn gedachten zijn bij hen, en niet bij zijn eigen leed.
  5. Tom Waes neemt overduidelijk maatregelen om te vermijden dat een gelijkaardig incident zich in de toekomst nog eens zou voordoen. Hij zegt dat hij tot op het moment van de tv-interviews nog geen alcohol heeft aangeraakt. Bovendien gaat hij niet in beroep tegen het vonnis en zegt hij nooit nog een druppel alcohol te drinken als hij met de wagen moet rijden. Hij is voor zichzelf dus nog strenger dan de wet voorschrijft.
  6. Tom Waes doet wat de theorieën rond crisiscommunicatie suggereren om te doen (d.w.z. mortification + corrective action + compensation). Uit de tv-interviews blijkt opvallend dat zijn reactie spontaan is ontstaan, en er geen management of consultant aan te pas is gekomen. Met de tv-interviewers zijn er vooraf geen vragen uitgewisseld. Hij komt inderdaad erg authentiek over. Het is geen ingestudeerd nummertje van een acteur.
  7. Het incident past tot op zekere hoogte bij het imago van de onkreukbare Tom Waes: hij rijdt zijn oldtimer Porsche in de prak, draagt daarbij geen gordel, waardoor het een wonder is dat hij enkele maanden later weer rondloopt alsof er niets gebeurd is. Ook in zijn tv-programma’s toonde hij al aan dat hij een kat met negen levens is. Dit roept eerder bewondering op dan afkeuring. Elke mythe bevat ook betekenisvolle incidenten.
  8. Tom Waes had vóór het ongeval een bijzonder sterke reputatie opgebouwd en die fungeerde als een schild toen het noodlot toesloeg. Niet alleen zijn auto, maar ook die reputatie hebben flinke averij opgelopen. Door zijn snelle en slimme respons zal zijn reputatie zich weer herstellen. Merk ook het taalgebruik op: als het noodloot toeslaat, is dat iets dat je lijkt te overkomen.
  9. Hij komt zonder kleerscheuren uit het ongeluk, en zoals het er nu naar uitziet ook zonder kleerscheuren uit zijn samenwerking met de VRT en NPO. Bij de VRT heeft hij één van de riantste exclusiviteitscontracten uit de televisiegeschiedenis. Hopelijk staat er een bepaling in dat bij ondertekening er onberispelijk gedrag wordt verwacht. Mogelijk verdient dat artikel in zijn exclusiviteitscontract een update, of volgen er toch nog financiële repercussies.  
  10. Een crisis kan enkel zinvol zijn als er iets positiefs uit voortvloeit. Dat voelt Tom Waes uitstekend aan, door aan te geven dat hij zich zal inzetten voor sensibiliseringscampagnes en er mogelijk nog een programma rond verkeersveiligheid zal volgen. Op die manier weet hij de betekenis van de crisis 180 graden te draaien, tot iets helend, voor hem en de hele samenleving. Een crisis kan dus een veranderingsproces op gang brengen.

Ik schreef deze opinie als opvolging van het interview dat Max De Moor van De Standaard met me afnam naar aanleiding van de excuses van Tom Waes. Ze is verschenen in De Standaard van 30 mei 2025.

Stripgids Academie: de resultaten

Intussen heb ik voor de derde keer de hele Stripgds Academie in Turnhout doorlopen, telkens goed voor tien bijeenkomsten waarbij de top van de Vlaamse stripgilde een groep cursisten mee op sleeptouw nam. Van iedere docent heb ik weer iets anders bijgeleerd. Echt fantastisch. Mijn doel is uiteindelijk m’n eigen graphic novel rond te krijgen, waaraan ik sinds juni 2019 werk. Nog vier jaar te gaan, schat ik. Telkens ik de cursus doorlopen had, ben ik opnieuw begonnen… Dit keer blijf ik echter op de ingeslagen weg doorzetten. In oktober 2023 heb ik besloten, voor een tweede keer, de volledige graphic novel uit te schetsen, goed voor ruim 300 pagina’s (formaat A5). Ik wil eerst voldoende routine opdoen bij het tekenen, inkten en inkleuren. Momenteel heb ik nog veertig pagina’s te gaan. Daarna hoop ik met de uiteindelijke versie te kunnen starten en een uitgever te zoeken.

Deze editie van de Stripgids Academie heb ik vooral technische zaken bijgeleerd. De eerste opdracht was een verstripping van een kortverhaal van Johan Stuyck. Vorige editie had ik dat ook al met veel plezier gedaan. Dat eindresultaat is gepubliceerd in het novembernummer 2023 van Stripgids. Deze nieuwe tekening heb ik in potlood gemaakt, en digitaal ingeïnkt en ingekleurd. Het kleurenpalet heb ik geleend uit het geweldige Malaterre van Pierre-Henry Gomont. De lettering heb ik met de hand gedaan, gebaseerd op het uitgespuwde lettertype comic sans.

Verstripping van “Het Licht”, een kortverhaal van Johan Stuyck (potlood, digitale inkt en kleuren)

De jonge en bevlogen stripauteur Thibau Vande Voorde vroeg om een cover te ontwerpen op basis van enkele lijnen tekst die hij gehaald had uit een verder onbekend horrorverhaal (iets van Stephen King, gokten de cursisten). Thibau daagde me uit om verschillende stijlen te verkennen. Welke versie is nu de beste? Toegegeven, de titel had spannender gekund. Op de versie rechts heb ik op basis van de feedback een patroon aangebracht op de sofa, waardoor de figuren er meer uitspringen. Verder heb ik het gietertje een andere kleur gegeven. In mijn fantasie is het jongetje namelijk de oorzaak van de wildgroei aan cactussen uit het verhaal.

Twee versies van een imaginaire graphic novel (potlood, inkt, aquarel)

De bejubelde Joris Mertens, die een verleden heeft in de film- en televisiewereld, vroeg om een storyboard uit te werken, met veel aandacht voor camerastandpunten en decoupage. Ik had van de gelegenheid gebruikgemaakt om hem een scène uit mijn graphic novel voor te leggen. Heerlijk toch hoe hij echt mee heeft gedacht, plaatje per plaatje… tien pagina’s lang. Bij zijn feedback legde hij de nadruk op het voldoende afwisselen van standpunten, en tekeningen die binnen het kader blijven en die tot de rand van de pagina lopen (door Scott McCloud ‘bleeds‘ genoemd).

Fragment uit het voorontwerp van “De Grens” (inkt en aquarel)

Hou de pagina van Stripgids in de gaten als je zelf aan de volgende editie van deze uitmuntende cursus wilt deelnemen, of schrijf je in op de nieuwsbrief.

Beste Bart,

Samen met half Vlaanderen heb ik naar De Tafel van Gert gekeken waarin je je jarenlange stilzwijgen hebt doorbroken. Zoals ik na afloop in de pers zei, vind ik dat je je staande hebt gehouden en begrijp ik waarom je Gert Verhulst verkoos als interviewer. Je zei onder meer dat het je tijd heeft gekost om alles scherp te krijgen.

Een kenmerk van voortschrijdend inzicht is dat je altijd nog een stapje verder kan opschuiven. Op het einde van het gesprek gaf je aan de reacties en de pers te vrezen. Die voorspelling is deels uitgekomen – we geraken er als samenleving echt niet over uitgepraat – maar dat komt ook wel omdat je deze kans om uitgebreid je verhaal te doen niet ten volle hebt weten te benutten.

Sta me toe het voorbeeld te herhalen dat ik in mijn colleges aan de KU Leuven over crisiscommunicatie gebruik om de basisprincipes van imagoherstel toe te lichten. Het voorbeeld klinkt mogelijk wat badinerend, maar dat doe ik om het emotionele gewicht ervan weg te halen.

Beeld je in dat in je kinderjaren je ouders plots weg moeten, je even alleen thuis laten en zeggen dat je zeker niet aan de snoeppot mag komen. Als je ouders thuis komen, beschuldigen ze je ervan dat je toch een snoepje hebt genomen. Hoe reageer je dan? De theorie beschrijft maar liefst twaalf verschillende manieren om te reageren, telkens met een andere uitkomst. Ik ga ze niet alle twaalf opsommen, maar je wel twee keuzes voorleggen: ga je schuld bekennen of in de verdediging gaan? Die reactie is uiteraard afhankelijk van het gegeven of de beschuldiging klopt of niet. Als je geen snoepje hebt genomen, kan je vol in de tegenaanval gaan. Als je wel een snoepje hebt genomen, is de beste strategie om het boetekleed aan te trekken. Dan waait het incident het snelste over.

Maar wat doe je in het volgende scenario: de beschuldiging luidt dat je vijf snoepjes hebt gejat, terwijl je weet dat het er maar drie waren? Er zijn twee opties. De eerste ga je zeker herkennen: je vindt de beschuldiging onrechtvaardig, want je hebt er maar drie genomen. Je wilt erkenning voor wat je zelf vindt tot waar je in de fout bent gegaan. Maar er is dus ook een tweede optie: je bekent schuld, want of het er nu drie of vijf waren, je hebt je niet aan de afspraken gehouden. De theorie stelt dat je dan in het eerste scenario belandt: het incident waait snel over.

Waar ik moeilijk vat op kan krijgen, is op stemmen die stellen dat “de wraakgodinnen” vinden dat je nooit nog aan de bak mag komen. Ik hoop dat ze om te beginnen daarmee niet naar de slachtoffers verwijzen. Maar wie zijn dat dan wel? Ik denk niet dat ze aan een realiteit beantwoorden. En als ze bestaan, zou hun wraak dan zo ver reiken dat ze je ervan kunnen weerhouden creatief te zijn?

Mijn inschatting is dat je na de miljoenenzaak tegen de VRT, waarbij je all-in bent gegaan, je niet kan verwachten dat die deur snel weer open zal gaan. Maar ik zie vele andere mogelijkheden. Ik weet wat voor een straffe tv-maker je bent, want ik was er zelf bij aan het begin van je carrière, op de set van Meester, hij begint weer en Buiten de zone. Natuurlijk, om spitsvondig te zijn, moet je goed in je vel zitten. Eerst nog de blik verscherpen, en dan hoop ik van harte dat je dat lukt.

Groeten van je oude klasgenoot.

Naschrift: eind april 2025 trad Bart De Pauw weer voor het voetlicht in een theatershow. De Tijd wilde weten wat ik daarvan vond, en ook de VRT vroeg naar mijn reactie.

Armoede laat zich niet zomaar in een entertainment-format gieten

Het moet sneu zijn voor de makers dat de reality-reeks Astrid en Natalia: Back to reality al na één aflevering van de buis werd gehaald. Al kan ik me wel iets voorstellen bij die beslissing. Armoede is een complexe problematiek die zich niet zomaar in een entertainment-format laat gieten. In armoede leven is geen keuze en gaat gepaard met een groot publiek stigma. Programmamakers moeten zich daarvan bewust zijn. Een tv-programma waarin het doel is in beeld te brengen hoe een aantal bekende Vlamingen ervaren hoe het voelt om in een kleine zeilboot de oceaan over te varen of om, een ‘pulk’ achter je aan slepend, door Groenland te trekken, slaat aan bij kijkend Vlaanderen. Maar dat blijkt toch nog iets anders te zijn dan twee vedetten dertig dagen met een krap budget in een rijhuis in Turnhout te zetten. Ik had er een gesprek over met Adriaan Cartuyvels van Knack en met Max De Moor van De Standaard. Sofie Gebruers van Het kwartier maakte er een podcast van en Stien Schoofs van VRTNWS vatte de teneur samen. 

Hoewel het niet meevalt om op vragen van journalisten te antwoorden die direct betrekking hebben op de actualiteit, baseer ik mijn oordeel wel degelijk op wetenschappelijk onderzoek. Lang geleden was ik al betrokken bij een studie die ging over hoe in onder meer Jambers en Het leven zoals het is armoede in beeld werd gebracht. Later volgde een uitgebreide frame-analayse in samenwerking met de Koning Boudewijnstichting. Vrij recent verscheen een open acces-artikel in International Journal of Strategic Communication de resultaten van experimenteel onderzoek waarin ik samen met dr. Bart Vyncke ben nagegaan hoe een sensibiliseringscampagne het stigma rond kinderarmoede kan verlagen.  

Voordat de sneeuwbom valt

Ik zou het moeten onderzoeken, maar het klinkt wel als een plausibele hypothese: de nieuwsmedia zijn alarmistischer geworden. Dat nieuwsmedia alarmistisch zijn, klopt alvast, en daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste, nieuwsmedia hebben deels als functie om ons te helpen om de omgeving te scannen op mogelijke gevaren. Dat is dan een evolutionaire uitleg. Ten tweede, nieuwsmedia focussen op het negatieve, en dan heeft een alarmistisch verhaal meer kans om de nieuwsdrempel te halen dan het verhaal dat laat weten ‘hier is alles oké’.  

De vraag is natuurlijk of het nu erger is dan vroeger. Ik denk het wel. Dat heeft te maken met een reeks gebeurtenissen die we niet of moeilijk konden voorspellen pakweg tien jaar geleden: er zijn de terroristische aanslagen in 2016, corona, de energiecrisis, de oorlog in Oekraïne en het conflict in Gaza. Je kunt niet zeggen: er kan ons niets overkomen.  

Er is onderzoek dat bijvoorbeeld heeft aangetoond dat na de zaak Dutroux nieuws dat ging over de verdwijning van kinderen makkelijker het nieuws haalde, dan ervoor. Net zo zal nieuws over een mogelijk nieuw virus of een nieuwe terreurdreiging momenteel makkelijker en prominenter in het nieuws komen.  

Verder is er het bijzondere gegeven dat zowel links als rechts een thema hebben dat ze zo dreigend mogelijk willen voorstellen: bij links is dat de klimaatopwarming en bij rechts migratie. Je mag niet vergeten dat er méér organisaties, politici, wetenschappers, industrietakken, belangengroepen en actiegroepen zijn dan journalisten. Die willen allemaal met hun verhaal in het nieuws komen. Hoe doe je dat, hengelen naar nieuwsaandacht? Door je verhaal zo sterk mogelijk aan te zetten. Maak er dus een sneeuwbom van dan is iedereen wakker. 

Wie bedenkt ook zo’n term als ‘sneeuwbom’? Ik veronderstel dat het een reëel weerfenomeen is, zoiets als een extreme sneeuwstorm. Maar het klinkt beter; lees: ik trek er sneller de aandacht mee. Ik heb onderzoek gedaan naar het nieuws rond ouderen en rond dementie, en ook daar zie je dat belangengroepen graag spreken over een ‘vergrijzingstsunami’ of ‘dementietsunami’, met de bedoeling om, bijvoorbeeld, wat schaarse middelen vanuit onder meer kankeronderzoek weg te trekken. 

Een belangrijke factor om eveneens te verklaren waarom de nieuwsmedia nu alarmistischer zijn dan vroeger is de komst van onlinewebsites en sociale media. Vroeger hadden redacties de tijd om uit te zoeken of er werkelijk iets ernstigs aan de hand was met een aangeleverd verhaal. Nu brengen ze het toch al maar vast online – dan zijn we tenminste eerst, en een alarmistisch verhaal levert allicht wat clicks op – daarna kunnen we het toch nog rechtzetten. Je hebt tegenwoordig heel wat verhalen die eerdere verhalen afzwakken: “dan toch geen sneeuwbom”. In dit geval ging er trouwens op een bepaald helemaal geen sneeuw meer vallen. Geen probleem, we zetten dat later wel weer recht.  

Onder meer verzekeraars en politici in verkiezingstijd brengen de boodschap dat het mogelijk is om risico’s op te vangen. De toekomst is uiteraard onzeker. Een leven zonder risico’s bestaat niet. Enige alertheid is nodig, en er zijn risico’s waar we beter op voorbereid zijn. Maar iedereen heeft er baat bij om risico’s beter te leren inschatten en, in een groot aantal gevallen, om risico’s te aanvaarden, en te zeggen: “we zien wel”.  

Deze tekst is gebaseerd op een gesprek dat ik had met Sofie Lemaire op 24 januari 2024, in haar programma De Wereld van Sofie. Het gesprek is te herbeluisteren op de site van Radio 1

De Vier Experts van de Apocalyps

Dankzij de wetenschappelijke (inclusief medische) experts en ondanks het politieke gekibbel is de totale corona-Apocalyps in België afgewend kunnen worden. Hopelijk zijn de nodige lessen getrokken om de in het najaar te verwachten opflakkering van het meedogenloze virus het hoofd te kunnen bieden. Opvallend is dat voor sommigen het net de experts zijn die schuld treft voor elk overlijden als gevolg van COVID-19. Zijn zij de ruiters van de Apocalyps?

“Als het over zever gaat zijn we bij Marc Van Ranst aan het juiste adres”; “Erica Vlieghe zit er weer te gniffelen als een scoutleidster die een zomerkamp organiseert. Wie neemt dit #COVID19 circus nog ernstig?”; “DIKKE ZEVERAAR ONNOZELAAR KLEIN KIND” (gaat over Steven Van Gucht); “de dictatuur van de virologen” enzovoort. Op sociale media krijgen experts het er regelmatig van langs. De teneur van deze kritische boodschappen lijkt in de eerste plaats terug te brengen tot mensen die hun frustraties omtrent het virus en de aanpak ervan projecteren op hen die zich tot doel hebben gesteld het te bestrijden. Wel moet erbij gezegd worden dat Marc Van Ranst de kritiek aan zijn adres wellicht ook heeft te danken aan zijn straffe, ideologisch getinte tweets die hij al lang voor dit nieuwe coronavirus de kop op stak op de wereld losliet.

Terechte kritiek of niet, zonder wetenschappelijke kennis zouden we nog steeds machteloos aan het toekijken zijn hoe COVID-19 rond zich heen zou grijpen. Het delen van ervaringen tijdens de verzorging zou uiteindelijk ook wel inzichten opgeleverd hebben. Het is echter enkel door de wetenschappelijke methode dat er vrij snel cruciale zekerheden rond het virus zijn opgebouwd. De vraag is echter groter dan het aanbod – mede onder druk van de media – waardoor niet ieder onderzoek met de nodige systematiek, de juiste statistische analyses en peer-review wordt uitgevoerd.

Hoewel het imago van de wetenschap ook wel wat averij heeft opgelopen, valt de balans toch positief uit, naar mijn gevoel. De interesse voor wat de experts te zeggen hebben, was zelden zo groot. Dat helpt ook om niet al te hoge verwachtingen te koesteren. Ten eerste heeft wetenschappelijke kennis op zich ook beperkingen in haar praktische bruikbaarheid. Ze kan immers tegenstrijdigheden bevatten. Ten tweede staat de betekenis van feiten niet bij voorbaat vast.

Bepaalde waarheden over corona zijn onmogelijk om met zekerheid te achterhalen. Dat is ook een van de redenen waarom ieder land in de praktijk toch een andere koers blijkt of leek te varen. Zo wordt er heel veel belang gehecht aan het aantal overlijdens. Door het mogelijk asymptomatische verloop van de aandoening en de beperkte testcapaciteit is het aantal positief bevestigde gevallen geen ideale parameter. Maar ook het aantal overlijdens – op het eerste gezicht nochtans erg eenduidig – voldoet niet. Zelfs al is er een 100% accurate positieve coronatest afgenomen, dan nog is het niet mogelijk om te bepalen of iemand door corona of met corona overleden is, vertelde Jan De Lepeleire, hoogleraar Huisartsgeneeskunde, me.

Er zijn een hele hoop feiten die de voorbije maanden stilletjes aan bekend zijn geraakt. Zo blijkt COVID-19 het vooral gemunt te hebben op corpulente mannen van gevorderde leeftijd, met een onderliggende problematiek en, dat weten we sinds kort, bloedgroep A. Maar wat betekenen die feiten, en hoe vertaalt zich dat in een oplossing? De antwoorden op die vragen zitten niet in de feiten vervat. Daarvoor heb je een frame nodig. In tegenstelling tot de feiten is het niet mogelijk om frames te factchecken. Er zijn er altijd meerdere van in omloop en het is een cultuurspecifieke, normatieve dan wel ideologische keuze die bepaalt welk frame uiteindelijk de bovenhand krijgt. Erg pijnlijk is bijvoorbeeld de vaststelling dat een ‘kostenbatenanalyse’ tot een heuse veldslag in de woonzorgcentra heeft geleid. Een strategische voorraad mondmaskers bleek te duur en de inzet van meer middelen in de woonzorgcentra ook. ‘Kosten op het sterfhuis’. Dat het virus lijkt te discrimineren is een bijzonder gegeven. Als het virus op een andere manier discrimineerde, en bijvoorbeeld vooral kinderen en jongeren zou treffen, had de aanpak ervan ongetwijfeld nog drastischer geweest.  

Het sterker aanzetten van worstcasescenario’s

De analyses en commentaren van de voorbije weken hebben aangetoond dat binnen de Nationale Veiligheidsraad en in de verschillende regeringen het advies van de experts regelmatig niet is gevolgd, zowel in de aanloop naar en tijdens de coronacrisis als bij het bepalen van de exitstrategie. In het licht van de vraag of een technocratie superieur is ten opzichte van een democratie had het nochtans een interessant experiment geweest als de experts, eens tot een compromis gekomen, het verloop van de aanpak hadden kunnen bepalen. Beslissingen zouden dan ingegeven zijn vanuit de wetenschappelijke waarheid en niet vanuit electoraal gespin. In de perceptie van het brede publiek biedt het prototype van de wetenschapper immers als groot voordeel dat deze vanuit het algemene en niet vanuit het eigen belang handelt.

Het is niet moeilijk om nu al op plaatsen te komen waar het leven weer zijn normale gangetje gaat en het moeite kost om enig spoor van de coronacrisis aan te treffen: geen mondmasker, handgel of sociale afstand te bespeuren. Toch is mijn inschatting dat deze ervaring zich zal nestelen in ons collectieve geheugen. Er waren er nog die het de eerste maanden aandurfden om de kracht van het virus weg te relativeren. Beelden uit onder meer Noord-Italië overtuigden ons van het tegendeel. Ook de experts zelf opteerden in de eerste fase voor een geruststellende en relativerende toon. “We zijn er klaar voor,” werd begin maart beweerd. Mooi niet dus. Wat levens had kunnen redden, was vanaf het begin de worstcasescenario’s toch nog wat sterker aanzetten. Vooruitgangsoptimisten konden vóór corona nog elk doemscenario wegzetten als naïef en ingegeven vanuit irrationele gedachten. Het geloof in de wetenschap zou voor hen absoluut moeten zijn en dan zou de mensheid elk probleem aankunnen. Door corona weten we dat we het onwaarschijnlijke toch voor mogelijk moeten houden en dat ook de wetenschap het antwoord op heel veel vragen vaak schuldig moet blijven.

Frames om betekenis aan corona te verlenen

Een ‘virus’ vormt op zich al een frame dat handig is om aan te geven dat ‘iets’ is als een onzichtbare vijand die onder ons is en bijna niet te bestrijden valt. Een virus is bovendien besmettelijk en steekt op heimelijke wijze mensen aan, vaak onschuldigen. Een maatschappelijk thema waarbij dit virus-frame uitgebreid gebruikt is, is radicalisering. Maar nu is het dus een frame dat een realiteit is gebleken. Het onzichtbare karakter van het virus is een belangrijk gegeven, omdat het mensen de gelegenheid biedt om het bestaan ervan te ontkennen. Is het er wel? Boeiend in dat verband zijn ook de nieuwsmedia die vanaf het begin het virus vooral proberen te visualiseren door personen met een mondmasker te tonen. Dat is de enige of zeker de meest gebruikte fotografische index om het bestaan van de coronacrisis te tonen. Die behoefte om corona te kunnen visualiseren, uit zich ook in de weergave van het uitvergrote virus, waarvan blijkt dat het vrij arbitrair is, wat al helemaal geldt voor de gekozen kleuren (een virus heeft namelijk geen kleur, las ik ergens). In ieder geval zie ik dit ook als een van de verklaringen waarom velen opzien tegen het dragen van een mondmasker: een mondmasker lijkt een uiting te zijn van smetvrees. Een masker dragen is voor angsthazen.

Net zoals bij eender welk ander maatschappelijk issue is er de dwingende vraag naar het vinden van een causale oorzaak. Waar komt dit virus vandaan? De mens wil alles verklaard zien en er móet ook een reden te vinden zijn. Zo ontstaan er complottheorieën. De angst voor het Grote Gele Gevaar leidt dan als vanzelf tot de idee dat SARS-CoV-2 afkomstig is uit een Chinees laboratorium waar het doelbewust gemaakt is (het lijkt wel een scenario van een stripalbum van Blake & Mortimer). Verder zijn er de frames dat het virus een straf van God is, de aankondiging van de totale apocalyps en de vernietiging van Sodom en Gomorra. Eveneens plausibel klinkt de uitleg dat de uitbraak een uiting is van de natuur die orde op zaken wilt stellen. Waarschijnlijk is de uitbraak van het virus echter een toevalligheid, zoals alle eerdere en toekomstige uitbraken dat ook waren of zullen zijn. Maar het is wel zo dat de hele crisis een aantal kenmerken van de huidige samenleving op scherp stelt: er zijn héél véél mensen die dicht op elkaar wonen of alleszins graag of noodgedwongen in elkaars nabijheid vertoeven, én er is een grote afhankelijkheid van en belang dat gehecht wordt aan economische groei, persoonlijk gewin en genot. Het onooglijk kleine virus is in staat tot iets wat niemand voor mogelijk achtte, namelijk de wereld tot stilstand brengen. Er lijkt dus toch een bovennatuurlijke kracht in schuil te gaan. Of nee, het is toch de mens die tot deze beslissing is overgegaan?

Op de agenda: op 1 juli sprak ik tijdens de plenaire sessie ‘The role of scientists in the debate’ als onderdeel van de interuniversitaire summer school science communication ‘Let’s talk science’.

Aandacht voor de frames achter de feiten

Verbindende_frames

Op zoek naar de frames die ons verbinden

Eind september las ik iets over Wout van Aert en, zo schreef de journalist, iedereen weet wat daarmee aan de hand is “tenzij je de voorbije weken op Mars verbleef”. Omdat ik inderdaad niet wist wat er met de renner aan de hand was, vroeg ik me af wat ik uit die vaststelling moest afleiden. In ieder geval vind ik het een goed idee om regelmatig vanop afstand en totaal onbevooroordeeld naar wat er in de wereld gebeurt te kijken. Het is een van de trucjes die ik bewust toepas in mijn onderzoek naar de manier waarop in de samenleving betekenis tot stand komt. Naast mijn Martiaanse afkomst ben ik ook een volbloed constructionist. Het constructionisme bestudeert de interactie en de communicatie tussen mensen waardoor de sociale werkelijkheid vorm krijgt. Op die manier ontstaan er verschillende werkelijkheden die onze gedachten en gedragingen sturen. Dit is in tegenspraak met mensen die vinden dat er maar één werkelijkheid bestaat. Zij vinden dat het onder meer de taak van journalisten is om over die ene werkelijkheid op een objectieve manier verslag uit te brengen, op basis van geverifieerde feiten. Doen ze dat niet dan brengen ze fake news, zijn ze aan het framen of zijn ze linkse dan wel rechtse propagandisten.

Als constructionist en Martiaan, maar vooral op basis van mijn onderzoek naar de framing van tientallen maatschappelijke onderwerpen, vind ik: zou het niet goed zijn als we met z’n allen het concept framing omarmen in plaats van het te reserveren om tegenstanders weg te zetten als leugenaars?

Frames factchecken is lastig

Er zijn feiten en er zijn frames. Over feiten is het mogelijk te bepalen of ze kloppen of niet. Frames factchecken is veel lastiger, omdat ze tegelijk waar en niet waar zijn. Frames zijn nochtans belangrijk, omdat frames aan de feiten betekenis verlenen. Beter, maar daarom niet gemakkelijker, is het om de verschillende denkbare frames in kaart te brengen. Een frame is per definitie een keuze en dus zijn er altijd alternatieven. Naargelang het gekozen frame ziet de werkelijkheid er heel anders uit.

Wat inderdaad helpt, is het standpunt van een Marsbewoner in te nemen. Er zijn talloze voorbeelden te bedenken. Neem bijvoorbeeld de situatie waarbij iemand om religieuze redenen weigert om iemand anders de hand te schudden. De Marsbewoner zal vaststellen dat mensen verschillende manieren hebben om elkaar te begroeten, onder meer de hand reiken en schudden, zoenen, omhelzen of met een hoofdknik. Het verschil tussen de omgangsvormen is de mate van aanraking. Dat zijn de empirisch waarneembare feiten. In beide gevallen gaat de betekenis die men eraan hecht veel verder dan de reële aanraking die de Martiaan empirisch kan vaststellen. Daardoor is het niet meer mogelijk te bepalen wie objectief gezien gelijk heeft. Vanuit een Westers perspectief bekeken, is elkaar de hand geven een teken van wederzijds respect. Vanuit het perspectief bekeken van bepaalde stromingen in de islam en het jodendom is het aanraken van de hand van iemand van het andere geslacht een teken van respectloosheid ten aanzien van de eigen partner. Het gaat in beide gevallen dus over respect. De gevolgde redenering verloopt echter anders.

De samenleving in een kramp

Associaties en gevolgtrekkingen die uit de betekenisgeving voortvloeien, vormen een bron van interculturele conflicten waarbij er zware verwijten en dito eisen klinken: Zwarte Piet is een racistisch personage en moet van het toneel verdwijnen, hoofddoeken moeten verboden worden, want het symboliseert de islamitische onderdrukking van de vrouw, ‘blanken’ moeten zich voortaan ‘witten’ noemen, want een ‘blanke’ stelt zich superieur op enzovoort.

De constructionist in mij ziet daarbij drie mogelijke manieren om met dergelijke lastige discussies om te gaan. Een eerste, vaak voorkomende reactie is de volgende: de tegenpartij stelt de situatie (bewust) verkeerd voor en is daarom aan het framen: ‘Ik frame niet, want ik heb gelijk.’ De tweede mogelijkheid is delicater. Niet de persoon die iets zegt of doet bepaalt wat de betekenis daarvan is, maar de andere partij, of zelfs een buitenstaander. Iemand zegt iets, en hoe goed bedoeld ook, of al was het een grap, als de andere partij het als bijvoorbeeld racistisch bestempelt dan ís het racistisch (of seksistisch, discriminerend …). Beide mogelijke reacties hebben bijkomende consequenties. Ze dragen namelijk bij aan de polarisering in de samenleving. Er is een bitsig debat, waarbij niemand wil toegeven, want vanuit hun perspectief bekeken hebben ze gelijk. Bijkomend is er een grote groep die zich er niet meer durft of wil over uitspreken. Gevolg: de samenleving schiet in een kramp, en alleen de uitersten van het spectrum spreken zich nog uit, roepen naar elkaar over de hoofden van de zwijgende meerderheid heen. Verder zijn er instanties die het zekere voor het onzekere nemen, en bijvoorbeeld de lokale kerstmarkt voortaan wintermarkt gaan noemen, wat de tegenstellingen nog meer op scherp zet. Het is de derde mogelijkheid die het constructionisme aanreikt die een oplossing biedt.

De beladenheid er weer vanaf halen

Het zou al helpen als iedereen zich bewust wordt van de eigen frames en daarvan het relatieve inziet. Een volgende stap bestaat in het inzicht krijgen in de frames van anderen. Waarom vindt iemand een uitspraak of een handeling respectloos, opdringerig, racistisch of seksistisch? Wat zit daarachter? Om die vragen te beantwoorden, is het nodig om te onderkennen dat niemand aan framing kan ontsnappen. Dus ook ik niet. Mijn eigenste framing is bijvoorbeeld dat we elkaar toch wat meer tijd moeten gunnen. Ik sprak een (blanke) Zuid-Afrikaanse collega die me zei dat zijn familie al sinds de achttiende eeuw in Zuid-Afrika woont en dat hij nog steeds regelmatig de idee krijgt aangepraat dat hij niet thuis hoort op het Afrikaanse continent. Anderzijds ben ik ook iemand die vindt dat de wereld niemand toebehoort en iedereen zou moeten kunnen gaan en staan waar hij of zij wil. Maar dat vinden sommigen waarschijnlijk een te naïeve framing. Dat is immers al evenzeer het argument dat Westerse mogendheden gebruikten om hun kolonialistische groeidrift te rechtvaardigen (zie ook de reacties op deze blogpost). Mensen migreerden al lang voordat ze het idee kregen de wereld op te delen in landen en sommigen zich het recht toe-eigenden te dicteren waar de bewoners binnen de getrokken grenzen zich aan dienden te houden. Kortom, het zijn allemaal geconstrueerde feiten die enkel een realiteit vormen bij gratie van de gemaakte afspraken.

Wat ik wel al helder voor me zie, is dat we toch maar elkaar de hand moeten blijven reiken, en samen moeten zoeken naar de frames die ons verbinden. Veel woorden en dingen in het leven zijn momenteel zo zwaar beladen met betekenis en associaties dat het goed zou zijn als we samen zouden afspreken dat we proberen om die beladenheid er weer vanaf te halen, zoals een Marsbewoner dat zou doen (de hoofddoek is ook gewoon een kledingstuk, Zwarte Piet maakt ook gewoon deel uit van een kinderfeest). Om daarna samen op zoek te gaan naar alternatieven waarin, liefst, iedereen zich kan vinden.

Wil je hier meer over weten? Bekijk mijn TEDx talk op YouTube.